wenteltrap-de-bezige-bijSinds ik op die zonnige lentedag van 2012 werd opgenomen in het pantheon der letteren door de wenteltrap van de Bezige Bij te bestijgen, aangestaard door de vorsende blikken van Nooteboom, Hermans en Mulisch die zich met elke krakende trede leken af te vragen of ik deze bijzetting wel waard was, heeft het me altijd verbaasd hoeveel tijd mij werd vergund door een uitgevershuis dat bijkans bezweek onder het soortgelijk gewicht van zijn literaire kanonnen.

Koude rillingen
Zeker, de Pinot Noir bevroor terstond in mijn door koude rillingen bevangen hand nadat ik op een zomerborrel tegenover Jan Siebelink belandde, Jan Cremer twee plaatsen verder hijgend hoorde vertellen hoe hij als eerste westerling na Marco Polo Mongolië bezocht en bij een toiletgang 
door een beschonken A.F.Th. omver werd gekegeld maar, nooit heb ik het idee gehad te verpieteren in hun schaduw, zelfs niet nadat mijn debuutroman, het in 2013 verschenen Een kwestie van zelfbehoud, vooralsnog níet het gehoopte succes bracht: mijn redacteur Wil Hansen, de publiciteitsdames, de hoofdredactie én de directeur bleven royaal aandacht schenken. Een paar maanden voor hij met verlof ging berichtte Henk Pröpper, nota bene vanuit Peking alwaar hij op de boekenbeurs zonder twijfel belangwekkender zaken te behartigen had, me dat hij ’s nachts ‘meteen aan de slag was gegaan’ met de eerste versie van mijn tweede roman waarop hij een reeks zowel complimenteuze als kritische inhoudelijke observaties liet volgen. De toonzetting van het artikel van afgelopen zaterdag als zou de Bij geen oog hebben voor op de bank popelende talenten gaat althans voor mij niet op – Pröpper had hooguit teveel hart voor de zaak. Henk, sterkte, het ga je goed. En keer snel terug op je stek om het ongelijk van je critici te bewijzen.

Deze brief verscheen op 5 juli 2016 in De Volkskrant n.a.v. berichtgeving als zou De Bezige Bij zijn auteurs verwaarlozen.